§ 07 · De taal · Woordenschat
Woordenschat en etymologie.
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal beslaat 43 banden en geldt als het omvangrijkste woordenboek ter wereld. Daarin een Germaanse kern, een Latijnse onderlaag, een stevige Franse inslag, een groeiende Engelse laag en woorden uit het Maleis, het Jiddisch en het Sranantongo.
Kort antwoord
Woordenschat betekent het geheel van woorden van een taal, of de woorden die één persoon kent en gebruikt. De Nederlandse woordenschat heeft een Germaanse kern (huis, water, moeder), aangevuld met leenwoorden uit het Latijn (straat, wijn), het Frans (avontuur, bureau), het Engels (computer, downloaden) en, via handel en kolonialisme, het Maleis (pienter, piekeren). Omdat het Nederlands vrij nieuwe samenstellingen maakt, heeft de woordenschat geen vaste omvang.
Omvang: WNT en Van Dale
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) beschrijft het Nederlands van 1500 tot 1976. De voorbereiding begon rond 1850 onder Matthias de Vries; samen met Lammert Allard te Winkel legde hij ook de spelling vast waarin het woordenboek zou verschijnen. De eerste aflevering kwam in 1864 uit, de laatste in 1998. De gedrukte uitgave telt 40 delen en 3 supplementdelen, met naar schatting 350.000 tot 400.000 trefwoorden, en wordt vaak het grootste woordenboek ter wereld genoemd. Sinds januari 2007 is het WNT gratis online te raadplegen via het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT).
Voor de hedendaagse taal is Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, de „Dikke Van Dale“, het bekendste naslagwerk. De zestiende editie (2022) telt ruim 268.000 trefwoorden. Van Dale is echter een commercieel woordenboek: de officiële spelling staat in de Woordenlijst van de Nederlandse Taalunie.
De Germaanse kern
De meest gebruikte woorden van het Nederlands — lidwoorden, voornaamwoorden, voegwoorden, hulpwerkwoorden, woorden voor lichaamsdelen, familie en het dagelijks leven — zijn Germaans van oorsprong. Een kleine greep: hoofd, hand, voet, huis, brood, water, vuur, moeder, vader, zoon, dochter, drinken, eten, slapen. De overeenkomst met het Duits (Haupt, Hand, Fuß, Haus) en het Engels (head, hand, foot, house) is geen toeval: de drie talen gaan terug op een gemeenschappelijke West-Germaanse voorouder.
De Latijnse laag
De oudste Latijnse leenwoorden dateren al uit de Romeinse tijd, toen Germaanse stammen via handel en bouwkunst in contact kwamen met de Romeinen: straat (< strata), muur (< murus), wijn (< vinum), kaas (< caseus), venster (< fenestra). Met de kerstening kwam een tweede laag van kerkelijke woorden als engel (< angelus), priester (< presbyter) en monnik (< monachus). Het woord kerk zelf gaat terug op het Griekse kuriakon („van de Heer“).
Het humanisme en de universiteiten brachten later woorden als universiteit, student, professor en examen. In het recht en de geneeskunde bleven Latijnse termen en uitdrukkingen eeuwenlang in gebruik (mutatis mutandis, pacta sunt servanda).
De Franse laag
Al in de middeleeuwen nam het Nederlands veel woorden over uit het Frans, de taal van hof en ridderschap: avontuur, prijs, dame, fier, fijn. In de Bourgondische tijd (vijftiende eeuw) en later, toen Frans in de zeventiende en achttiende eeuw de taal van de Europese elite was, volgden nog veel meer woorden: bureau, paraplu, cadeau, restaurant, portret, atelier, enveloppe. In Vlaanderen, waar het Frans lang de taal van bestuur en hogere kringen was, is de Franse invloed op de spreektaal sterker dan in Nederland (camion voor vrachtwagen, frigo voor koelkast, plezant voor leuk).
Duits en Engels
Duitse leenwoorden vallen vaak nauwelijks op, omdat beide talen zo dicht bij elkaar liggen. Sommige zijn letterlijk overgenomen (überhaupt, sowieso, ausgerechnet), andere zijn vertaald (wereldbeeld naar Weltbild).
Engelse leenwoorden zijn vooral na 1945 sterk toegenomen. Ze passen zich grammaticaal aan het Nederlands aan: Engelse werkwoorden krijgen Nederlandse vervoegingen (downloaden, gedownload, managen, cancelen) en zelfstandige naamwoorden een Nederlands lidwoord en meervoud (de computer, de apps). Over de wenselijkheid van al die leenwoorden wordt regelmatig gediscussieerd; zie ook spelling voor de regels rond het schrijven van Engelse leenwoorden.
Maleis, Sranantongo en export
Door handel en kolonialisme kwam het Nederlands in contact met talen buiten Europa. Uit het Maleis — de handelstaal van de archipel waar de Verenigde Oost-Indische Compagnie vanaf de zeventiende eeuw actief was — komen onder meer:
- amok (Maleis amuk, razernij)
- pienter (Maleis pintar, slim)
- piekeren (Maleis pikir, denken)
- bakkeleien (Maleis berkelahi, vechten)
- branie (Maleis berani, dapper)
- senang (prettig, op je gemak)
- toko, sambal, kampong, sarong
Via Surinamers in Nederland kwamen woorden uit het Sranantongo en het Surinaams-Nederlands in de (jongeren)taal terecht, zoals mattie (vriend, uit Sranan mati) en doekoe (geld). Ook pinda kwam via Suriname in het Nederlands. Zie de pagina's over Suriname en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Omgekeerd reisden Nederlandse woorden de wereld over. Het Indonesische kantor (kantoor), het Russische brjoeki (broek) en de Engelse woorden boss (baas), cookie (koekje) en yacht (jacht) zijn daar voorbeelden van. Het Afrikaans heeft zelfs het grootste deel van zijn woordenschat aan het Nederlands te danken.
Jiddisch
Door de eeuwenlange aanwezigheid van Joodse gemeenschappen, vooral in Amsterdam, kreeg de Nederlandse spreektaal een herkenbare laag woorden uit het Jiddisch, vaak met een Hebreeuwse oorsprong. Bekende voorbeelden:
- mazzel (geluk)
- jatten (stelen)
- gozer (jongeman, kerel)
- gein (plezier, grap)
- kapsones (verwaandheid)
- mesjogge (gek)
- ponem (gezicht)
- gabber (vriend, maat)
Veel van deze woorden waren oorspronkelijk typisch Amsterdams, maar zijn inmiddels in het hele taalgebied bekend. Mazzel is gewone spreektaal geworden, en gabber is ook de naam van een muziekstijl.
Nieuwe woorden en Woord van het Jaar
De woordenschat groeit voortdurend, vooral door nieuwe samenstellingen. Sinds 2007 kiest Van Dale elk jaar een Woord van het Jaar voor Nederland, en sinds 2010 apart een voor België (voor 2025 koos Van Dale één woord voor beide landen: hallucineren). Nederlandse winnaars waren onder meer swaffelen (2008), ontvrienden (2009), selfie (2013), sjoemelsoftware (2015), anderhalvemetersamenleving (2020), klimaatklever (2022) en polarisatie (2024). Zulke woorden laten zien welke onderwerpen een jaar bepaalden; lang niet alle winnaars raken blijvend ingeburgerd. Ook het Genootschap Onze Taal koos jarenlang (tot en met 2023) een eigen woord van het jaar.
Bronnen
Voor wie de herkomst of betekenis van woorden wil opzoeken, zijn drie bronnen onmisbaar. Etymologiebank.nl, ondergebracht bij het Meertens Instituut, bundelt per woord de verklaringen uit de belangrijkste etymologische woordenboeken. Het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT) in Leiden publiceert de historische woordenboeken online (Oudnederlands, Vroegmiddelnederlands, Middelnederlands, WNT) en het Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW) voor de hedendaagse taal. Het Genootschap Onze Taal geeft het tijdschrift Onze Taal uit en beantwoordt taalvragen. Zie verder de Taaluniepagina voor de institutionele kaders en geschiedenis voor de ontwikkeling van de taal.
Veelgestelde vragen
Wat is de betekenis van woordenschat?
Woordenschat is het geheel van woorden van een taal. Het woord wordt ook gebruikt voor de woorden die één persoon kent en gebruikt: iemand met een grote woordenschat kent veel woorden. Een ander woord ervoor is vocabulaire.
Hoeveel woorden heeft het Nederlands?
Daar bestaat geen vast getal, omdat het Nederlands voortdurend nieuwe samenstellingen maakt. Ter indicatie: de zestiende editie van de Dikke Van Dale (2022) telt ruim 268.000 trefwoorden, en het historische Woordenboek der Nederlandsche Taal beschrijft er naar schatting 350.000 tot 400.000.
Waar komen Nederlandse woorden vandaan?
De kern van de woordenschat is Germaans. Daarnaast heeft het Nederlands veel woorden ontleend aan het Latijn, het Frans en later het Engels, en via handel en kolonialisme ook aan het Maleis en het Sranantongo. Een kleinere laag in de spreektaal komt uit het Jiddisch.
Waar zoek ik de herkomst van een woord op?
Op etymologiebank.nl staan per woord de verklaringen uit de belangrijkste etymologische woordenboeken van het Nederlands. Voor oudere betekenissen zijn de historische woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal gratis online te raadplegen.
Verder lezen
I
Geschiedenis
Hoe het Nederlands zich ontwikkelde, van het Oudnederlands tot vandaag.
Naar de geschiedenisII
Suriname
Sranantongo, Sarnami en Surinaams-Nederlands — een meertalige bijdrage aan de woordenschat.
Naar SurinameIII
Afrikaans
Hoe het zeventiende-eeuwse Nederlands aan de Kaap uitgroeide tot een eigen taal.
Naar Afrikaans