§ 05 · Spelling · Werkwoorden

D, t of dt?

Word en wordt klinken precies hetzelfde. Toch schrijf je ze verschillend, omdat de Nederlandse spelling niet alleen naar de klank kijkt, maar ook naar de grammatica. Wie een paar vaste stappen volgt, maakt in de werkwoordspelling vrijwel geen fouten meer.

Kort antwoord

Begin altijd bij de stam van het werkwoord (worden → word). In de tegenwoordige tijd komt er een -t achter de stam bij hij, zij, het, u en bij jij als jij vóór het werkwoord staat: hij wordt, jij wordt, maar word jij. Eindigt de stam op d, dan krijg je dus dt. In de verleden tijd bepaalt ’t kofschip of het -te of -de wordt, en in het voltooid deelwoord -t of -d.

Stap 1: bepaal de stam

De stam is de ik-vorm in de tegenwoordige tijd. Je vindt hem door -en van de infinitief af te halen en de spelling aan te passen aan de regels voor open en gesloten lettergrepen:

  • werken → werk, worden → word, vinden → vind
  • lopen → loop en maken → maak (de lange klinker krijgt twee letters)
  • zitten → zit en bellen → bel (een dubbele medeklinker wordt enkel)
  • leven → leef en verhuizen → verhuis (aan het eind van een woord schrijf je nooit v of z)

Tegenwoordige tijd

In de tegenwoordige tijd geldt: stam bij ik, stam + t bij jij, u, hij, zij (enkelvoud) en het, en hele werkwoord in het meervoud.

Persoonwordenvindenzitten
ikwordvindzit
jij / jewordtvindtzit
word jij / vind je (inversie)wordvindzit
uwordt (ook: wordt u)vindt (ook: vindt u)zit
hij / zij / hetwordt (ook: wordt hij)vindt (ook: vindt ze)zit
wij / jullie / zijwordenvindenzitten

Eindigt de stam al op een t, dan komt er geen tweede t bij: hij zit, zij zet, het bijt. Eindigt de stam op d, dan krijg je dt: hij vindt, zij rijdt, het geldt, u antwoordt.

Inversie. Staat jij of je achter het werkwoord, dan valt de t weg: Word jij morgen dertig? Vind je dat goed? Dat geldt alleen voor jij/je, niet voor u, hij of zij: Wordt u al geholpen? Vindt hij dat goed? Ook in Vlaanderen bij gij blijft de t staan: Wordt gij morgen dertig?

Pas op met je als bezittelijk voornaamwoord. In Wordt je broer morgen dertig? is het onderwerp je broer (= hij), dus schrijf je wordt.

De looptruc

Twijfel je, vervang het werkwoord dan door een vorm van lopen (of vallen, werken): daar hoor je de t wél.

  • Ik word/wordt moe → ik loop: geen t → ik word
  • Hij word/wordt moe → hij loopt: wel t → hij wordt
  • Word/Wordt jij moe? → loop jij?: geen t → word jij
  • Dat geld/geldt ook voor jou → dat loopt: wel t → dat geldt

Verleden tijd: 't kofschip

Sterke werkwoorden veranderen in de verleden tijd van klinker en krijgen geen uitgang: lopen – liep, vinden – vond, worden – werd. Die vormen moet je leren. Zwakke werkwoorden krijgen -te(n) of -de(n). Welke van de twee, bepaal je met ’t kofschip:

  • Eindigt de stam op een van de medeklinkers uit ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan wordt het -te: werken – werkte, fietsen – fietste, straffen – strafte, lachen – lachte, stoppen – stopte, praten – praatte.
  • In alle andere gevallen wordt het -de: bellen – belde, horen – hoorde, landen – landde, branden – brandde.

Let op v en z. Kijk naar de letter in de infinitief, niet naar de stam: leven heeft een v, dus leefde; verhuizen en reizen hebben een z, dus verhuisde en reisde; blozen – bloosde. De x hoort er ook bij (faxen – faxte), vandaar de varianten ’t ex-kofschip en ’t sexy fokschaap. Een andere bekende ezelsbrug is soft ketchup.

Een stam op d of t geeft in de verleden tijd dus een dubbele letter: landde, praatte, zette. De combinatie dt komt in de verleden tijd nooit voor.

Voltooid deelwoord

Het voltooid deelwoord van een zwak werkwoord is meestal ge- + stam + -t of -d, weer volgens ’t kofschip: gewerkt, gefietst, maar gebeld, gehoord, verhuisd, geleefd. Eindigt de stam al op t of d, dan komt er niets bij: gezet, gepraat, geland, geantwoord, verbrand.

Bij werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel (be-, ge-, her-, ont-, ver-, er-) lijken het voltooid deelwoord en de hij-vorm sterk op elkaar. Daar ontstaan de meeste fouten:

Tegenwoordige tijd (hij/het)Voltooid deelwoord
Het gebeurt vaak.Het is gisteren gebeurd.
Hij verbrandt de brieven.Hij heeft de brieven verbrand.
Zij verhuist volgende week.Zij is vorige week verhuisd.
Hij beantwoordt de vraag.Hij heeft de vraag beantwoord.

Een handige controle: vervang het werkwoord door een sterk werkwoord. Het is gebeurd/gebeurt → het is gevallen: een voltooid deelwoord, dus gebeurd. Het gebeurd/gebeurt vaak → het valt vaak: tegenwoordige tijd, dus gebeurt.

Wordt een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, dan krijgt het de gewone buigings-e: de verhuisde buren, het verbrande hout, de gebruikte borden.

Engelse werkwoorden

Engelse werkwoorden worden in het Nederlands gewoon vervoegd. De stam is de Engelse stam, en voor ’t kofschip kijk je naar de uitgesproken laatste klank van die stam. Volgens de Woordenlijst:

  • updaten – ik update, hij updatet – updatete – geüpdatet
  • deleten – deletete – gedeletet
  • racen – racete – geracet (de c klinkt als s)
  • scoren – scoorde – gescoord
  • faxen – faxte – gefaxt

Twijfel je over een specifiek woord, zoek het dan op in de Woordenlijst (woordenlijst.org): daar staan bij werkwoorden de verleden tijd en het voltooid deelwoord.

Veelgemaakte fouten

FoutGoedWaarom
ik wordtik wordbij ik alleen de stam
wordt jijword jijinversie met jij: geen t
hij vindhij vindtstam vind + t
dat geld ook voor joudat geldt ook voor jouwerkwoord gelden, stam + t
het word laathet wordt laathet = derde persoon: stam + t
het is gebeurthet is gebeurdvoltooid deelwoord (het is gevallen)
hij antwoordehij antwoorddestam antwoord + de
ik heb hem gebeltik heb hem gebeldl zit niet in ’t kofschip

Waarom is de werkwoordspelling zo lastig?

In het Nederlands klinkt een d aan het eind van een woord als een t (eindklankverscherping, zie uitspraak), en een dubbele t of dt klinkt als één t. Je hoort het verschil tussen word en wordt, of tussen gebeurd en gebeurt, dus niet. De spelling volgt hier het principe van gelijkvormigheid: een woord of uitgang wordt zo veel mogelijk op dezelfde manier geschreven (word + t), ook al klinkt het anders. Daardoor moet je bij het schrijven telkens even nadenken over de grammatica van de zin — en dat gaat bij snel typen makkelijk mis, ook bij ervaren schrijvers. Zie de pagina spelling voor de andere basisprincipes.

Veelgestelde vragen

Wanneer schrijf je dt?

Als de stam van het werkwoord op een d eindigt en er in de tegenwoordige tijd een t bij komt: bij hij, zij, het, u en bij jij als jij vóór het werkwoord staat. Voorbeelden: hij wordt, jij vindt, het geldt, u antwoordt. In de verleden tijd komt dt nooit voor.

Is het word jij of wordt jij?

Word jij. Staat jij of je achter de persoonsvorm, dan valt de t weg: word jij, vind je, loop jij. Bij u, hij en zij blijft de t wel staan: wordt u, wordt hij.

Is het gebeurd of gebeurt?

Gebeurt is de tegenwoordige tijd (het gebeurt vaak), gebeurd is het voltooid deelwoord (het is gebeurd). Vervang het door vallen: het valt vaak, het is gevallen.

Hoe werkt 't kofschip?

Eindigt de stam van een zwak werkwoord op t, k, f, s, ch of p (de medeklinkers uit 't kofschip), dan krijgt de verleden tijd -te en het voltooid deelwoord -t: werkte, gewerkt. Anders wordt het -de en -d: belde, gebeld. Bij werkwoorden met v of z in de infinitief kijk je naar die letter: leefde, verhuisde.

Is het dat geld of dat geldt?

Dat geldt, van het werkwoord gelden. Stam geld + t, net als dat loopt. Geld zonder t is het zelfstandig naamwoord (het geld) of de ik-vorm (ik geld).

Hoe vervoeg je Engelse werkwoorden zoals updaten?

Gebruik de Engelse stam en kijk naar de uitgesproken laatste klank: updaten wordt hij updatet, updatete, geüpdatet; racen wordt racete, geracet; scoren wordt scoorde, gescoord.