§ 04 · De taal · Grammatica

Nederlandse grammatica.

Tien woordsoorten, een handvol zinsdelen, de-woorden en het-woorden, een V2-woordvolgorde met tangconstructie en een werkwoordsvervoeging die weinig vormen kent maar streng wordt toegepast. Een systematisch overzicht van de Nederlandse grammatica.

Kort antwoord

De Nederlandse schoolgrammatica onderscheidt traditioneel tien woordsoorten: zelfstandig naamwoord, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, voornaamwoord, telwoord, bijwoord, voorzetsel, voegwoord en tussenwerpsel. Daarnaast ontleed je een zin in zinsdelen, zoals onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling. Kenmerkend voor het Nederlands zijn de persoonsvorm op de tweede plaats in de hoofdzin, de werkwoorden achteraan in de bijzin (de tangconstructie) en de keuze tussen de en het. Er is geen officieel voorgeschreven grammatica; de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is het standaardnaslagwerk.

Woordsoorten

Woordsoorten zijn de bouwstenen van de grammatica: elk woord hoort, afhankelijk van hoe het in de zin gebruikt wordt, bij een categorie. De traditionele indeling telt er tien.

WoordsoortFunctieVoorbeelden
Zelfstandig naamwoord (substantief)Noemt een persoon, dier, ding, begrip of naamhuis, liefde, Amsterdam
LidwoordStaat voor een zelfstandig naamwoord; bepaald of onbepaaldde, het, een
Bijvoeglijk naamwoord (adjectief)Zegt iets over een eigenschapgroot, mooi, houten
Werkwoord (verbum)Drukt een handeling, gebeurtenis of toestand uitlopen, hebben, worden
Voornaamwoord (pronomen)Verwijst naar of vervangt een zelfstandig naamwoordik, mijn, deze, die, wie, iemand, zich
TelwoordGeeft een aantal of een volgorde aantwee, tiende, veel, enkele
BijwoordZegt iets over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, ander bijwoord of de hele zingisteren, hier, erg, niet
Voorzetsel (prepositie)Geeft een verhouding aan, vaak van plaats of tijdin, op, met, tijdens
Voegwoord (conjunctie)Verbindt woorden of zinnen; nevenschikkend of onderschikkenden, maar, omdat, dat
Tussenwerpsel (interjectie)Drukt een gevoel of reactie uit, staat los van de zinsbouwau, hè, hoera

De grens tussen sommige categorieën is vloeiend — het woord gisteren gedraagt zich meestal als bijwoord, maar kan ook als zelfstandig naamwoord dienen („het gisteren van de politiek“) — en moderne taalkundige beschrijvingen, zoals de ANS, werken met een fijnere indeling. In het onderwijs blijft de tiendeling het uitgangspunt.

Alle tien woordsoorten met voorbeelden, de soorten voornaamwoorden en een volledig ontlede zin staan op de pagina woordsoorten.

Zinsdelen

Woordsoorten gaan over losse woorden; zinsdelen gaan over de functie van een woordgroep in de zin. Bij het redekundig ontleden zoek je eerst de persoonsvorm en het onderwerp, en daarna de overige zinsdelen.

Persoonsvorm en gezegde
De persoonsvorm is het vervoegde werkwoord (gaf). Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin; het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord met een naamwoordelijk deel (is moe).
Onderwerp
Wie of wat de handeling uitvoert of in de toestand verkeert; het onderwerp stemt overeen met de persoonsvorm.
Lijdend voorwerp
Wie of wat de handeling ondergaat: zij leest een boek.
Meewerkend voorwerp
Aan of voor wie iets gebeurt: zij geeft haar broer een boek.
Voorzetselvoorwerp
Een zinsdeel met een vast voorzetsel bij het werkwoord: wachten op de bus.
Bijwoordelijke bepaling
Geeft informatie over tijd, plaats, manier, reden enzovoort: gisteren, in de trein.

Een voorbeeld: in Mijn zus gaf de buurman gisteren een boek is gaf de persoonsvorm, mijn zus het onderwerp, de buurman het meewerkend voorwerp, gisteren een bijwoordelijke bepaling en een boek het lijdend voorwerp.

Lidwoorden: de, het, een

Het Nederlands kent twee bepaalde lidwoorden (de en het) en één onbepaald lidwoord (een, in gesproken taal vaak ’n). Historisch kende het Nederlands drie grammaticale geslachten — mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen allebei de, onzijdige woorden krijgen het. In het noorden is het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk in de spreektaal grotendeels verdwenen; in het zuiden is het beter bewaard, onder andere in de keuze tussen hij en zij bij verwijzing naar een zelfstandig naamwoord. In het meervoud krijgen alle woorden de.

Welk woord de en welk woord het krijgt, is voor wie Nederlands als tweede taal leert een berucht struikelblok. Er zijn vuistregels, maar geen sluitend systeem:

  • Altijd het: verkleinwoorden (het huisje) en zelfstandig gebruikte hele werkwoorden (het lezen).
  • Meestal het: woorden op -isme en -ment (het realisme, het parlement) en veel woorden met ge- (het gebouw).
  • Altijd de: woorden op -heid en -ing (de vrijheid, de regering).
  • Meestal de: woorden voor personen (de leraar, de buurvrouw), met uitzonderingen als het kind en het meisje.
  • Wisselend: woorden op -schap (de vriendschap, maar het landschap).

Ook betekenisverwante woorden kunnen verschillen: het is de natuur maar het groen. Bij twijfel geeft woordenlijst.org het lidwoord bij elk zelfstandig naamwoord. Zie Nederlands leren voor de didactische kant.

De buigings-e bij bijvoeglijke naamwoorden

Waar het Duits een reeks Deklinationsendungen kent, heeft het Nederlands voor bijvoeglijke naamwoorden in de praktijk maar één buigingsuitgang: de -e. Een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord krijgt in principe een -e: de grote tafel, een grote tafel, het grote huis, grote huizen.

De belangrijkste uitzondering: bij een enkelvoudig het-woord blijft de -e weg als er een, geen, elk, ieder, veel, zo’n of geen lidwoord voor staat.

de-woord (tafel)het-woord (huis)meervoud
met de / hetde grote tafelhet grote huisde grote huizen
met eeneen grote tafeleen groot huis—
zonder lidwoordgrote vreugdegroot verdrietgrote huizen

Verder krijgen deze bijvoeglijke naamwoorden nooit een -e: woorden op -en (een houten tafel, de open deur, het gebroken glas), woorden die op een klinker eindigen zoals roze, oranje, lila en prima, en bijvoeglijke naamwoorden die niet vóór het zelfstandig naamwoord staan (het huis is groot). Van de Duitse naamvalsuitgangen op -en, -em en -er is in de moderne standaardtaal niets over, op versteende uitdrukkingen na.

Naamvallen: wat ervan over is

Het Oud- en Middelnederlands kenden vier naamvallen — nominatief, genitief, datief en accusatief. In de loop van de vroegmoderne periode verdwijnt de naamvalsverbuiging grotendeels uit de spreektaal, maar de schrijftaal houdt er lang aan vast. De spelling-Marchant van 1934 nam de naamvalsuitgangen minder streng, en na de spelling van 1946/1947 verdwenen ze uit de gewone schrijftaal. Een locatief (plaatsnaamval) heeft het Nederlands nooit gehad.

Restanten zijn vandaag vooral te vinden in vaste uitdrukkingen: 's ochtends, 's avonds, des nachts, ten huize van, ter ere van, in naam der wet, mijns inziens. Deze vormen zijn versteend, maar nog altijd gewoon in gebruik. Bij eigennamen leeft de genitief op -s voort (Jans boek, Annekes fiets); verder wordt bezit meestal uitgedrukt met van (het boek van mijn vader) of, informeler, met een bezittelijk voornaamwoord (mijn vader z’n boek). Vooral bij persoonlijke voornaamwoorden bestaan nog echte naamvalsvormen: ik tegenover mij, hij tegenover hem.

Werkwoorden en werkwoordstijden

Het Nederlands kent acht werkwoordstijden. In het onderwijs worden ze meestal in een tabel met hun afkortingen aangeboden:

TijdAfkortingVoorbeeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdottik werk
Onvoltooid verleden tijdovtik werkte
Voltooid tegenwoordige tijdvttik heb gewerkt
Voltooid verleden tijdvvtik had gewerkt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdotttik zal werken
Onvoltooid verleden toekomende tijdovttik zou werken
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdvtttik zal hebben gewerkt
Voltooid verleden toekomende tijdvvttik zou hebben gewerkt

Sterke, zwakke en onregelmatige werkwoorden

Zwakke werkwoorden zijn regelmatig: ze krijgen in de verleden tijd -te of -de en in het voltooid deelwoord -t of -d (werken, werkte, gewerkt; bellen, belde, gebeld). Welke van de twee, bepaalt het ezelsbruggetje ’t kofschip (of ’t ex-kofschip, met de x erbij): eindigt de stam op t, k, f, s, ch, p of x, dan wordt het -te/-t. De spellingkant hiervan staat uitgewerkt op de pagina spelling.

Sterke werkwoorden veranderen van klinker in de verleden tijd en krijgen een voltooid deelwoord op -en: zingen, zong, gezongen; lopen, liep, gelopen. Daarnaast zijn er gemengde vormen (lachen, lachte, gelachen) en echt onregelmatige werkwoorden als hebben, zijn, gaan, staan, doen, kunnen en willen. Die komen zo vaak voor dat ze vroeg in het leerproces aan bod komen.

Naast zelfstandige werkwoorden zijn er hulpwerkwoorden (hebben, zijn, worden, zullen, en modale werkwoorden als kunnen, moeten, mogen) en koppelwerkwoorden (zijn, worden, blijven, lijken, schijnen).

Twijfel je tussen d, t of dt? Zie de pagina werkwoordspelling.

Zinsbouw: V2 en werkwoord achteraan

Typologisch is het Nederlands een V2-taal: in een hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede positie, ongeacht wat op de eerste positie staat. Op de eerste positie kan een onderwerp staan (Hij leest de krant), een tijdbepaling (Gisteren las hij de krant), een voorzetselbepaling (In de trein las hij de krant) of een voorwerp (De krant las hij in de trein). In al deze zinnen blijft de persoonsvorm las op plaats twee. In vraagzinnen zonder vraagwoord en in gebiedende zinnen staat de persoonsvorm vooraan (Leest hij de krant?).

In bijzinnen — zinnen die met een onderschikkend voegwoord als dat, omdat, terwijl, hoewel of als beginnen — staan alle werkwoorden achteraan; taalkundigen spreken van een SOV-volgorde (onderwerp, voorwerp, werkwoord): … omdat hij de krant in de trein las. Diezelfde volgorde geldt in betrekkelijke bijzinnen (de man die de krant leest) en in beknopte bijzinnen (om de krant te lezen). De wisseling tussen hoofdzin en bijzin is het kerngegeven van de Nederlandse zinsbouw.

De tangconstructie

Uit die woordvolgorde vloeit het verschijnsel voort waar anderstaligen het meest van schrikken: de tangconstructie. In de hoofdzin vormen de persoonsvorm en de overige werkwoorden (of het scheidbare deel van een werkwoord) samen een tang om de rest van de zin: Ik heb gisteren in de trein de krant gelezen; Hij belt morgen zijn moeder op. In de bijzin sluit het voegwoord de tang aan de ene kant en sluiten de werkwoorden hem aan de andere kant. Vergelijk het korte voorbeeld:

„… dat hij ging.“

met de uitgebouwde versie:

„… dat hij, ondanks het feit dat het al laat was en de trein waarschijnlijk niet meer zou rijden, toch nog besloot te gaan.“

Onderwerp en werkwoord staan inmiddels door een halve regel tekst gescheiden; de moedertaalspreker zet de twee zonder na te denken aan elkaar vast. In goed leesbare tekst wordt de tang niet te ver opengesperd. Voor niet-moedertaalsprekers is het oefenen van deze structuur een van de kernoefeningen bij het leren van Nederlands, zie Nederlands leren.

Aan het eind van de bijzin kunnen de werkwoorden in twee volgordes staan: … dat hij het heeft gezien en … dat hij het gezien heeft. Beide zijn correct.

Lijdende vorm: worden en zijn

De lijdende vorm (passief) wordt gemaakt met een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord. In de onvoltooide tijden is dat worden (De deur wordt gesloten, De deur werd gesloten), in de voltooide tijden zijn (De deur is gesloten, De deur was gesloten). De deur is gesloten kan daardoor twee dingen betekenen: dat iemand de deur heeft gesloten, of dat de deur dicht is — een toestand. Voor Engelstaligen, bij wie is closed een vergelijkbare dubbelzinnigheid heeft maar is being closed de handeling aangeeft, is de keuze tussen wordt en is vaak lastig. Wie de handelende persoon wil noemen, gebruikt door: De deur wordt door de conciërge gesloten.

Verschillen Nederland–Vlaanderen

De standaardtaal is in Nederland en Vlaanderen grotendeels één, maar op grammaticaal vlak vallen een aantal verschillen op. Het persoonlijk voornaamwoord gij / ge, in Nederland alleen nog archaïsch of dialectaal in gebruik, is in Vlaamse spreektaal springlevend en duikt geregeld op in informele geschreven taal. In de standaardtaal worden jij/je voor informeel en u voor formeel gebruik aangeraden.

Het hulpwerkwoord bij het voltooid deelwoord verschilt soms: bij zitten, liggen en staan zegt men in Nederland ik heb gelegen, terwijl in België ook ik ben gelegen gebruikelijk is. Ook de dubbele ontkenning („niks niet“) is in de standaardtaal fout, maar komt in Vlaamse tussentaal voor. Zie verder Vlaanderen en Brussel en Dialecten.

Wie bepaalt de grammaticaregels?

Anders dan de spelling is de grammatica van het Nederlands niet bij wet vastgelegd. Er bestaat geen officieel Groene Boekje voor de grammatica; de norm ontstaat uit het gebruik in verzorgde taal en wordt vastgelegd in naslagwerken.

  • Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Het standaardnaslagwerk voor de Nederlandse grammatica, samengesteld door taalkundigen uit Nederland en Vlaanderen. De ANS is vooral beschrijvend: ze legt uit hoe de taal werkt en geeft aan welke vormen regionaal of informeel zijn. De elektronische versie, de E-ANS, is gratis online te raadplegen.
  • Nederlandse Taalunie. De Taalunie is verantwoordelijk voor de spelling en geeft via taaladvies.net antwoord op veelgestelde vragen over grammatica en taalgebruik.
  • Genootschap Onze Taal. Een vereniging met een eigen taaladviesdienst en tijdschrift, die dagelijks vragen over grammatica en taalgebruik beantwoordt.

Voor de woordkeuze zelf, zie woordenschat; voor de klank, uitspraak. Hoe de grammatica historisch veranderde, lees je bij de geschiedenis van het Nederlands.

Veelgestelde vragen

Welke woordsoorten zijn er in het Nederlands?

De traditionele grammatica onderscheidt tien woordsoorten: zelfstandig naamwoord, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, voornaamwoord, telwoord, bijwoord, voorzetsel, voegwoord en tussenwerpsel.

Wat is het verschil tussen woordsoorten en zinsdelen?

Een woordsoort zegt wat voor woord iets is, zoals een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord. Een zinsdeel zegt welke functie een woord of woordgroep in de zin heeft, zoals onderwerp, lijdend voorwerp of bijwoordelijke bepaling.

Wie bepaalt de grammaticale regels van het Nederlands?

Niemand bij wet: anders dan de spelling is de grammatica niet officieel vastgelegd. Het belangrijkste naslagwerk is de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS), online als E-ANS. Voor concrete twijfelgevallen zijn er taaladvies.net van de Taalunie en de taaladviesdienst van Onze Taal.

Wanneer krijgt een bijvoeglijk naamwoord een -e?

Vóór een zelfstandig naamwoord krijgt het bijvoeglijk naamwoord meestal een -e: de grote tafel, het grote huis. Bij een enkelvoudig het-woord na een, geen of zonder lidwoord blijft de -e weg: een groot huis. Woorden op -en (houten) en woorden als roze en oranje krijgen nooit een -e.

Heeft het Nederlands naamvallen?

Nauwelijks nog. Het oudere Nederlands had vier naamvallen, maar die zijn in de standaardtaal verdwenen op vaste uitdrukkingen (’s avonds, ter ere van), de bezits-s bij namen en de vormen van persoonlijke voornaamwoorden (ik/mij, hij/hem) na. Een locatief heeft het Nederlands niet.

Is het de natuur of het natuur, en de groen of het groen?

Het is de natuur, maar het groen. Beide woorden hebben een verwante betekenis, maar een ander lidwoord; op woordenlijst.org staat bij elk zelfstandig naamwoord of het een de-woord of een het-woord is.

Wat is een tangconstructie?

Een zin waarin twee bij elkaar horende delen de rest van de zin omsluiten, zoals de persoonsvorm en het voltooid deelwoord in ‘Ik heb gisteren de krant gelezen’, of het voegwoord en de werkwoorden in een bijzin.

Wat is het verschil tussen sterke en zwakke werkwoorden?

Zwakke werkwoorden zijn regelmatig en krijgen -te of -de in de verleden tijd (werkte, belde). Sterke werkwoorden veranderen van klinker (zingen, zong, gezongen).