§ 06 · De taal · Uitspraak

Hoe het Nederlands klinkt.

Alle klanken van het Nederlands op een rij, met IPA: klinkers en tweeklanken, medeklinkers, de beruchte g, de klankregels die spelling en uitspraak uit elkaar trekken, en de regionale accenten die er een eigen kleur aan geven.

Kort antwoord

Hoeveel klanken het Nederlands heeft, hangt af van wat je als afzonderlijk foneem (betekenisonderscheidende klank) telt; een officieel getal bestaat niet. Een gangbare telling voor de standaardtaal, in de lijn van handboeken als Booijs The Phonology of Dutch, komt uit op 16 klinkers — 12 enkelvoudige klinkers, de sjwa /ə/ en 3 tweeklanken (/ɛi/, /œy/, /ɑu/) — en 19 tot 23 medeklinkers: 19 inheemse, plus /ɡ/, /ʃ/ en /ʒ/ (vooral in leenwoorden) en eventueel de glottisslag [ʔ]. Samen zijn dat zo'n 35 tot 39 klanken. Leenklinkers zoals in crème, freule en zone komen daar in sommige analyses nog bij.

Klinkers

Het Nederlands heeft twaalf enkelvoudige klinkers, de sjwa en drie tweeklanken. Taalkundigen verdelen de enkelvoudige klinkers in ongespannen (altijd kort, alleen in gesloten lettergrepen: kat, bed) en gespannen klinkers. Van de gespannen klinkers zijn /aː/, /eː/, /øː/ en /oː/ lang; /i/, /y/ en /u/ zijn fonetisch kort, maar worden lang vóór een r (bier, muur, boer). De tabel geeft de klanken in IPA, het Internationaal Fonetisch Alfabet; de uitspraak is die van het standaardnederlands in Nederland.

IPASpellingVoorbeeldType
/ɑ/akat /kɑt/kort, ongespannen
/aː/aa, a (open lettergreep)kaas /kaːs/, ma-ken /ˈmaːkə(n)/, ka-terlang, gespannen
/ɛ/ebed /bɛt/kort, ongespannen
/eː/ee, e (open lettergreep)been /beːn/, te-nenlang, gespannen
/ɪ/ipit /pɪt/kort, ongespannen
/i/iepiet /pit/; bier [biːr]gespannen; kort, lang vóór r
/ɔ/obot /bɔt/kort, ongespannen
/oː/oo, o (open lettergreep)boot /boːt/, bo-tenlang, gespannen
/ʏ/ubus /bʏs/kort, ongespannen
/y/uu, u (open lettergreep)fuut /fyt/, nu /ny/; muur [myːr]gespannen; kort, lang vóór r
/øː/euneus /nøːs/, deurlang, gespannen
/u/oeboek /buk/; boer [buːr]gespannen; kort, lang vóór r
/ə/e, i, ijde /də/, lopen, vriendelijksjwa, alleen onbeklemtoond
/ɛi/ei, ijwij /ʋɛi/, kleitweeklank
/œy/uihuis /ɦœys/tweeklank
/ɑu/au, oukauw, hout /ɦɑut/tweeklank

Enkele notatiekwesties: /ɑu/ wordt ook als /ʌu/ of /ɔu/ geschreven, en veel bronnen noteren de gespannen klinkers /i/, /y/, /u/ zonder lengteteken omdat ze meestal kort zijn. Het verschil tussen de spellingen ei en ij en tussen au en ou is historisch; in de standaarduitspraak klinken ze gelijk (zie spelling). Daarnaast kent het Nederlands enkele klinkers die vrijwel alleen in leenwoorden voorkomen, zoals de lange [ɛː] in crème, [œː] in freule en [ɔː] in zone, en nasale klinkers in Franse leenwoorden als restaurant.

Een overzicht van alle tekens van het Internationaal Fonetisch Alfabet met voorbeeldwoorden staat op de pagina fonetisch alfabet.

De klinkervierhoek

Klinkers worden ingedeeld naar de stand van de tong: hoog of laag (gesloten of open mond), voor of achter in de mond, en met of zonder lipronding. Zet je dat uit in een schema, dan krijg je de klinkervierhoek; in oudere lesboeken heet een vereenvoudigde versie met de hoekpunten /i/, /a/ en /u/ de klinkerdriehoek. Het Nederlands valt op door zijn voorklinkers met lipronding (/y/, /ʏ/, /øː/): klanken die het Engels niet heeft.

TonghoogteVoor, ongerondVoor, gerondCentraalAchter (gerond, behalve /ɑ/)
gesloten/i/ piet/y/ fuut—/u/ boek
bijna gesloten/ɪ/ pit/ʏ/ bus——
halfgesloten/eː/ been/øː/ neus—/oː/ boot
midden——/ə/ de—
halfopen/ɛ/ bed——/ɔ/ bot
open——/aː/ kaas/ɑ/ kat

De indeling is vereenvoudigd. De /ʏ/ ligt fonetisch dichter bij het midden van de mond dan de tabel suggereert, en de lange /aː/ ligt tussen voor en centraal in. In Nederland worden /eː/, /øː/ en /oː/ bovendien licht tweeklankig uitgesproken, als [eɪ], [øʏ] en [oʊ]; in Vlaanderen klinken ze doorgaans zuiverder. De tweeklanken zijn in de vierhoek te zien als een beweging: /ɛi/ glijdt van /ɛ/ naar /i/, /œy/ van een gerond halfopen beginpunt naar /y/, en /ɑu/ van /ɑ/ naar /u/.

Korte en lange a

De korte a /ɑ/ in kat, man en tak is een open achterklinker: de tong ligt laag en iets naar achteren getrokken, de mond staat ver open en de lippen blijven ontspannen, zonder ronding. De lange a /aː/ in kaas, maan en taak ligt meer naar voren en klinkt daardoor „helderder“. Het verschil zit dus niet alleen in de lengte maar ook in de klankkleur, wat paren als man–maan en tak–taak goed hoorbaar maakt. In Belgisch-Nederlandse uitspraak ligt de korte a vaak centraler en lijkt ze daardoor minder donker.

Tweeklanken

Een tweeklank (Engels: diphthong, ook in het Nederlands diftong) is een klinker waarbij de tong tijdens het uitspreken van de ene stand naar de andere glijdt. Een klinker met één vaste stand heet een monoftong (Engels: monophthong). De drie Nederlandse tweeklanken glijden alle drie naar een hogere positie; in het Engels heten zulke klanken closing diphthongs. Engelse lesboeken noemen ze meestal gewoon bij hun spelling: ij/ei, ui en ou/au.

  • ei/ij /ɛi/ (wijn, klei): begint opener dan het Engelse day, maar minder open dan lie.
  • ui /œy/ (huis, ui): gerond van begin tot eind; het Engels heeft geen vergelijkbare klank, en voor veel anderstaligen is dit de lastigste Nederlandse klinker.
  • ou/au /ɑu/ (hout, kauw): ruwweg als in Engels how, maar met een meer geronde afloop.

Daarnaast kent het Nederlands de zogenoemde lange tweeklanken: een klinker gevolgd door een i- of oe-achtige naslag. Fonologisch worden ze meestal geanalyseerd als een klinker plus de halfklinker /j/ of /ʋ/, en niet als aparte fonemen.

SpellingVoorbeeldUitspraakFonologische analyse
aaihaai[ɦaːi]/aː/ + /j/
ooimooi[moːi]/oː/ + /j/
oeigroei[ɣrui]/u/ + /j/
eeuwleeuw[leːu]/eː/ + /ʋ/
ieuwnieuw[niu]/i/ + /ʋ/
uwduw[dyu]/y/ + /ʋ/

Klinkers vóór r

Een r na de klinker verandert de klinker zelf. In de Nederlandse standaarduitspraak gebeurt dat op twee manieren:

  • Verlenging. De gespannen /i/, /y/ en /u/, die normaal kort zijn, worden vóór r lang: bier [biːr], duur [dyːr], boer [buːr]. Vergelijk biet [bit], met een korte klinker.
  • Verhoging en centralisatie. De lange /eː/, /øː/ en /oː/ verliezen vóór r hun tweeklankige naslag en schuiven op richting [ɪː], [ʏː] en [ʊː], vaak met een sjwa-achtige overgang naar de r. Peer klinkt dan als [pɪːr] of [pɪər], deur als [dʏːr] en boor als [bʊːr].

Wie zich afvraagt hoe de lange e vóór een r klinkt: niet als de [eɪ] van been, maar geslotener en zonder naglijder, iets in de richting van een lange i van pit. Omdat de spelling dit verschil niet laat zien, is het voor leerders van het Nederlands een klassiek struikelpunt.

De sjwa: de stomme e

De sjwa /ə/ is de toonloze, „doffe“ klinker in het midden van de mond. Hij komt alleen in onbeklemtoonde lettergrepen voor en wordt op verschillende manieren gespeld: e in de /də/ en lopen, ij in vriendelijk /ˈvrindələk/, i in aardig /ˈaːrdəx/. Ook het lidwoord een klinkt als [ən], tegenover het telwoord één [eːn].

Een e aan het eind van een woord is in inheemse woorden bijna altijd een sjwa: lange, mode, ware. Uitzonderingen zijn vooral leenwoorden, waar een accent de uitspraak aangeeft (café, paté).

Bij de uitgang -en valt de n in Nederland in gewone spraak meestal weg: lopen klinkt als [ˈloːpə], maken als [ˈmaːkə]. Deze n-deletie is ook in verzorgde standaardtaal gebruikelijk. In het noordoosten van Nederland en in delen van Vlaanderen blijft de n vaker hoorbaar.

Het lengteteken ː

In IPA geeft het teken ː na een klank aan dat die lang is: /aː/ in kaas tegenover /ɑ/ in kat. Het lijkt op een dubbele punt, maar bestaat uit twee driehoekjes die met de punten naar elkaar wijzen; in gewone tekst wordt uit nood vaak een dubbele punt gebruikt (/a:/).

Een platte streep boven een klinker (het macron, zoals in ā) is geen IPA-lengteteken. Woordenboeken en grammatica's van bijvoorbeeld het Latijn gebruiken het macron wel om lange klinkers aan te geven, maar in het IPA staat het voor een middentoon. De Nederlandse spelling zelf geeft klinkerlengte aan met dubbele letters of met een open lettergreep: kaas, ka-zen.

Nog een bron van verwarring: het IPA-teken voor de plofklank-g, ɡ, is een g met een open staart, die op een 9 kan lijken. De Nederlandse zachte g schrijf je in IPA niet met dat teken, maar met de Griekse gamma ɣ, en de stemloze ch-klank met x.

Medeklinkers

Het Nederlands heeft negentien inheemse medeklinkerfonemen, aangevuld met enkele klanken die vooral in leenwoorden of als variant van een andere klank voorkomen. De tabel geeft ze naar plaats en wijze van articulatie.

TypeStemloosStemhebbend
Plofklank bilabiaal/p/ (pak)/b/ (bak)
Plofklank alveolaar/t/ (tak)/d/ (dak)
Plofklank velaar/k/ (kat)/ɡ/ (goal; als variant van /k/ in zakdoek [ˈzɑɡduk]), marginaal
Glottisslag[ʔ] (be-amen [bəˈʔaːmə(n)]), geen foneem—
Fricatief labiodentaal/f/ (fijn)/v/ (vijf)
Fricatief alveolaar/s/ (sok)/z/ (zon)
Fricatief postalveolaar (leenwoorden)/ʃ/ (sjaal, chef)/ʒ/ (genre, garage)
Fricatief velaar/uvulair/x/ (lachen, acht)/ɣ/ (goed, gaan); in Nederland vaak samengevallen met /x/
Fricatief glottaal—/ɦ/ (hand)
Nasalen—/m/ (man), /n/ (nat), /ŋ/ (zang)
Liquidae—/l/ (land), /r/ (rood)
Approximanten (halfklinkers)—/ʋ/ (wat), /j/ (jas)

Enkele toelichtingen. De Nederlandse h is stemhebbend: in IPA [ɦ], niet [h]. De glottisslag [ʔ], een korte afsluiting in de keel, hoor je optioneel vóór een klinker aan het begin van een lettergreep, zoals in beamen of na-apen; omdat hij geen betekenis onderscheidt, geldt hij niet als foneem.

De w in water is in Nederland een labiodentale approximant [ʋ]: de onderlip nadert de boventanden, zonder de lipronding van de Engelse [w]. In Vlaanderen klinkt de w vaak bilabiaal (met beide lippen), in Suriname als [w]. Na een klinker, zoals in leeuw en nieuw, klinkt de w overal meer als een [u]-achtige naslag.

Alle IPA-tekens en vaktermen op een rij: het fonetisch alfabet voor het Nederlands.

Harde en zachte g

Het bekendste herkenningsteken van het Nederlands is de uitspraak van de g en de ch. Grofweg boven de grote rivieren is de g een stemloze fricatief die achter in de mond wordt gevormd: velaar [x] of, bij veel sprekers, nog verder naar achteren tegen de huig, uvulair [χ]. Het onderscheid met de ch verdwijnt daar vaak: lagen en lachen klinken dan hetzelfde. Dat levert de „harde g“ op die buitenlanders snel herkennen.

In het zuiden — Noord-Brabant, Limburg en Vlaanderen — is de g meestal een zachtere, stemhebbende velaire fricatief [ɣ], die verder naar voren in de mond ligt; in delen van Limburg klinkt hij bijna palataal. Daar blijft het verschil tussen g en ch ook doorgaans bestaan. Dat is de „zachte g“. De overgang tussen beide gebieden loopt ruwweg langs de grote rivieren, al is de grens niet scherp.

Een plofklank [ɡ] zoals in het Engelse go komt in inheemse Nederlandse woorden niet als zelfstandige klank voor: de letter g staat altijd voor een fricatief. Een echte [ɡ] hoor je alleen in leenwoorden (goal, baguette) en als variant van /k/ vóór een stemhebbende plofklank (zakdoek, ik ben). Daarom is [ɡ] in het Nederlands veel zeldzamer dan [k] en [x]; wie de klanken van het Nederlands wil leren, begint beter bij de fricatief.

v, z en g in Nederland

In grote delen van Nederland, vooral in het westen, verliezen de stemhebbende fricatieven aan het begin van een woord hun stem. Vis klinkt dan als [fɪs], zee als [seː] en goed als [xut]. Bij de g is dat onder sprekers uit Nederland heel gewoon; bij de v en z is het wijdverbreid maar geldt het in verzorgde uitspraak minder als standaard. In Vlaanderen en het zuiden van Nederland blijven v–f, z–s en g–ch doorgaans uit elkaar. Leerders horen in Nederland dus vaak minder verschil dan de spelling doet vermoeden.

Eindklankverscherping

Het Nederlands kent eindklankverscherping (ook finale devoicing genoemd): aan het eind van een woord of lettergreep worden stemhebbende medeklinkers stemloos. De d wordt een [t], de b een [p], en de fricatieven v, z en g worden [f], [s] en [x]. Hond klinkt als [ɦɔnt], web als [ʋɛp], heb als [ɦɛp] en dag als [dɑx].

Deze regel werkt in de uitspraak, maar niet in de spelling. Op schrift houdt men de stemhebbende medeklinker aan volgens het principe van gelijkvormigheid: omdat je in het meervoud honden [ˈɦɔndə(n)] wel een d hoort, schrijf je ook hond met een d. Hetzelfde geldt voor web–webben en heb–hebben (zie spelling). Duitstaligen pikken dit makkelijk op, omdat hun taal dezelfde regel kent (Auslautverhärtung). Engelstaligen vinden het lastiger, aangezien het Engels stemhebbende eindmedeklinkers handhaaft (dog tegenover dock).

Assimilatie

Waar twee medeklinkers op elkaar botsen, passen ze zich aan elkaar aan. Die assimilatie gaat in het Nederlands twee kanten op:

  • Regressief (terugwerkend): een stemloze klank wordt stemhebbend vóór een b of d. Zakdoek klinkt als [ˈzɑɡduk], opdoen als [ˈɔbdun], kaasboer als [ˈkaːzbuːr].
  • Progressief (voortwerkend): een fricatief wordt stemloos na een stemloze klank. Opvallen klinkt als [ˈɔpfɑlə(n)], op zee als [ɔp seː], ik zie als [ɪk si].

Twee gelijke medeklinkers smelten bovendien samen tot één: handdoek klinkt als [ˈɦɑnduk], met één d. Ook dit zie je niet terug in de spelling, die de delen van een samenstelling herkenbaar houdt.

De ng-klank

De combinatie ng staat voor één klank: de velaire neusklank /ŋ/, gevormd met de achterkant van de tong tegen het zachte gehemelte. Zang is [zɑŋ], zingen [ˈzɪŋə(n)]. Vóór een k wordt ook een gewone n zo uitgesproken: bank [bɑŋk], denken [ˈdɛŋkə(n)]. De /ŋ/ komt nooit aan het begin van een woord voor. Anders dan in het Engelse finger, waar na de /ŋ/ een [ɡ] volgt, klinkt in vinger [ˈvɪŋər] geen aparte g.

De l: helder en donker

Fonetici onderscheiden een heldere l, waarbij de tong vooral met de punt werkt, en een donkere l, waarbij ook het achterste deel van de tong omhoog komt. In het Nederlands klinkt de l aan het begin van een woord (land) vrij helder, maar na een klinker en aan het woordeinde duidelijk donker (bal, melk). In Nederland is die donkere l vaak nog sterker dan in Vlaanderen.

Het verschil met het Engels hangt af van de variëteit. In Brits-Engelse standaarduitspraak is de l vóór een klinker helder (leaf) en na een klinker donker (feel); in Amerikaans-Engels is de l in alle posities vrij donker. Een eigen Nederlands verschijnsel is de ingevoegde sjwa tussen l of r en een volgende medeklinker in informele uitspraak: melk als [ˈmɛlək], film als [ˈfɪləm].

De /r/-varianten

De /r/ is in het Nederlands de klank met de grootste variatie tussen sprekers. Gangbare realisaties:

  • Tongpunt-r, een alveolaire trill [r] of een korte tik [ɾ], onder meer in veel Vlaamse en Brabantse uitspraak en in Suriname.
  • Huig-r, een uvulaire [ʀ] of [ʁ], veel gehoord in grote delen van Nederland en in een aantal Vlaamse steden.
  • Gooise r, een approximant die met een opgekrulde of samengetrokken tong wordt gevormd (vaak genoteerd als [ɻ] of [ɹ]). Hij komt alleen voor na een klinker (maar, door) en is in Nederland wijdverbreid, in Vlaanderen nauwelijks.

Veel sprekers combineren varianten: een huig- of tongpunt-r aan het begin van een lettergreep (rood) en een Gooise r na de klinker (door). Aan het woordeinde wordt de r bij sommige sprekers erg zwak. Geen van deze varianten geldt als „fout“; ze worden alle in verzorgde standaardtaal gehoord.

Uitspraak en spelling

De Nederlandse spelling is redelijk regelmatig, maar een aantal gewone woorden klinkt anders dan je op grond van de letters zou verwachten:

WoordUitspraakWaarom
hond[ɦɔnt]eindklankverscherping
wordt[ʋɔrt]dt klinkt als één t
een[ən]lidwoord met sjwa
vriendelijk[ˈvrindələk]-lijk met sjwa
praktisch[ˈprɑktis]-isch klinkt als [is]
Schiphol[ˈsxɪpɦɔl]sch = s + ch
politie[poːˈli(t)si]-tie klinkt als [(t)si]
station[staˈʃɔn]Franse -tion
zakdoek[ˈzɑɡduk]assimilatie
lopen[ˈloːpə]n-deletie

Meer over de regels achter de schrijfwijze staat op de pagina over spelling; hoe woorden zich in de zin gedragen, lees je bij grammatica.

Nederlands en Engels vergeleken

Of het Nederlands of het Engels meer klinkers heeft, hangt af van welke variëteit je vergelijkt en hoe je telt. De traditionele beschrijving van de Britse standaarduitspraak (Received Pronunciation) komt op twintig klinkerfonemen, waarvan acht tweeklanken; het Nederlands komt in de telling hierboven op zestien, waarvan drie tweeklanken. Het Engels heeft dus vooral méér tweeklanken. Het Nederlands heeft daarentegen de geronde voorklinkers /y/, /ʏ/, /øː/ en de tweeklank /œy/, die het Engels mist.

Andere verschillen die Nederlandstaligen in het Engels (en Engelstaligen in het Nederlands) opvallen: het Engels handhaaft stemhebbende eindmedeklinkers, heeft de klanken /θ/ en /ð/ (thin, this) en een bilabiale /w/, en de Engelse standaarduitspraak kent geen velaire fricatief zoals de Nederlandse g.

Nederlands en Fries

Het Fries, de tweede officiële taal van Nederland, heeft een eigen klanksysteem dat op belangrijke punten afwijkt van het Nederlands. Het valt vooral op door een groter aantal tweeklanken, waaronder stijgende tweeklanken die in het Nederlands ontbreken. Kenmerkend is de brekking: een dalende tweeklank in het enkelvoud wordt in afgeleide vormen een stijgende, zoals in stien (steen) tegenover stiennen (stenen) en foet (voet) tegenover fuotten (voeten). Een volledige lijst van Friese klanken valt buiten het bestek van deze pagina; wie verder wil, vindt die in naslagwerken over de Friese grammatica, zoals Tiersma's Frisian Reference Grammar.

Poldernederlands

Sinds de late twintigste eeuw verschuift in Nederland de uitspraak van enkele tweeklanken. De ij/ei begint opener en klinkt als [aːi] of [ai], de ui schuift op naar [aʏ] en de ou naar [aʊ]. De Amsterdamse taalkundige Jan Stroop beschreef het verschijnsel in 1998 in zijn boek Poldernederlands. Volgens hem waren jongere, hoogopgeleide vrouwen de voorlopers van deze verandering. In Vlaanderen komt Poldernederlands nauwelijks voor.

Regionale accenten

Elk deel van het taalgebied heeft een eigen accent. Hoeveel accenten het Nederlands precies heeft, valt niet te tellen: de overgangen zijn geleidelijk en binnen elke regio bestaan weer lokale varianten. Een summiere ronde langs bekende kenmerken; meer achtergrond staat bij de dialecten.

Nedersaksisch gekleurd (Groningen, Drenthe, Twente)
Hoorbare n aan het eind van werkwoorden, vaak met een lettergrepige n (lopen ≈ [ˈloːpn̩]). Rechtstreekse erfenis van het Nedersaksisch.
Haags
Tweeklanken worden enkelvoudige klinkers: ij klinkt als een lange [ɛː] (mijn ≈ „mèn“), ui als [œː] (huis ≈ „hùs“). Iconische cartoonfiguur: Haagse Harry.
Limburgs
Toonhoogteonderscheid (stoottoon en sleeptoon) in de dialecten, zachte en vaak palatale g, zangerige intonatie.
Brabants
Zachte g, duidelijke v en z, en het verkleinwoord op -ke (meiske).
Antwerps
Herkenbare klinkerkleuring, zoals de a in „Antwaarpe“, en een eigen intonatiepatroon.
West-Vlaams
De g klinkt als een h (goed ≈ „hoed“), terwijl de h zelf vaak wegvalt. Voor een Hollander soms moeilijk te volgen.
Surinaams-Nederlands
Weinig tweeklankige /eː/ en /oː/, tongpunt-r, een eigen ritme en intonatie — in Suriname de gangbare uitspraak.

Standaarduitspraak en omroepen

Standaarduitspraak is een verzorgd register, niet de dagelijkse spreektaal van één regio. Er bestaat geen wettelijk vastgelegde uitspraaknorm; ook de Nederlandse Taalunie stelt die niet vast. In de praktijk gold lange tijd de uitspraak van nieuwslezers als voorbeeld: in Nederland die van de NOS, in Vlaanderen die van de VRT, waar de taaladviesdienst VRT Taal ook uitspraakadvies geeft. Daarbij bestaan een Nederlandse en een Belgische standaarduitspraak naast elkaar, met verschillen in onder meer de g, de w en de lange klinkers. Wie zelf aan de slag wil, vindt uitspraakoefeningen bij Nederlands leren.

Veelgestelde vragen

Hoeveel klanken heeft het Nederlands?

Dat hangt af van de analyse. Een gangbare telling voor de standaardtaal komt uit op 16 klinkers (12 enkelvoudige klinkers, de sjwa en 3 tweeklanken) en 19 tot 23 medeklinkers, afhankelijk van of je /ɡ/, /ʃ/, /ʒ/ en de glottisslag meetelt. Samen zijn dat zo'n 35 tot 39 klanken.

Welk fonetisch alfabet gebruik je voor het Nederlands?

Het gebruikelijke systeem is het IPA, het Internationaal Fonetisch Alfabet. Daarin schrijf je bijvoorbeeld huis als /ɦœys/ en kaas als /kaːs/. Tussen schuine strepen staat een fonologische notatie, tussen vierkante haken een fonetische.

Hoe spreek je de Nederlandse g uit?

De g is geen plofklank zoals in Engels go, maar een wrijfklank achter in de mond. In Nederland is hij meestal stemloos, velaar [x] of uvulair [χ] (de harde g); in Vlaanderen, Brabant en Limburg stemhebbend [ɣ] (de zachte g).

Hoe heten de Nederlandse tweeklanken in het Engels?

Een tweeklank heet in het Engels een diphthong. De drie Nederlandse tweeklanken, ei/ij, ui en ou/au, hebben geen eigen Engelse namen en worden in Engelse lesboeken meestal bij hun spelling genoemd.

Waarom schrijf je hond met een d als je een t hoort?

Door eindklankverscherping worden stemhebbende medeklinkers aan het woordeinde stemloos. De spelling volgt het principe van gelijkvormigheid: omdat je in honden wel een d hoort, schrijf je ook hond met een d.

Hoe klinkt de lange e voor een r?

Vóór een r verliest de lange e zijn naglijder en wordt hij geslotener: peer klinkt als [pɪːr] of [pɪər], niet als de [eɪ] van been. Hetzelfde gebeurt met eu en oo in deur en boor.

Heeft het Engels meer klinkers dan het Nederlands?

In de traditionele beschrijving van de Britse standaarduitspraak telt het Engels twintig klinkerfonemen, tegenover zestien in het Nederlands. Het verschil zit vooral in het aantal tweeklanken; het Nederlands heeft wel geronde voorklinkers die het Engels mist.

Wat betekent het teken ː in fonetisch schrift?

Het IPA-lengteteken ː geeft aan dat de voorafgaande klank lang is, zoals in /aː/. Een platte streep boven een klinker (macron) is in het IPA geen lengteteken, al gebruiken sommige woordenboeken hem wel zo.

Hoeveel accenten heeft het Nederlands?

Dat valt niet te tellen: accenten gaan geleidelijk in elkaar over. Grote herkenbare groepen zijn onder meer het Hollands, Brabants, Limburgs, Nedersaksisch gekleurd Nederlands, de Vlaamse accenten en het Surinaams-Nederlands.